mm 7   2.4-

 

Bezoek aan het roedel.

 

Het laatste stuk met de tram, tot halte Meijendel. Na een uur de magneetbaan naar het Haagse. Eindelijk op weg naar waar ze op uit waren. Het geheim  van Estrice en daarmee haar home. Gelegen op het   Hollandse Duin. Fraai begroeid en met hier en daar nederzettingen. Voor mensen die daar wilden leven. Hadden ze uitvoerig over verteld,. Een zijn met de na­tuur, daarvan leven.  Verzamelen van wat eetbaar was. Jagen om verantwoord vlees te eten. In het Hollandse Haf vis­sen.  Konijnen en hazen met valken grijpen. Een creatief bezig zijn.

Waardoor elk gesprek met ze ook boeiend was geweest. Praters in hun zuiden in overvloed om eindeloos mee te kletsen ver vooral nergens. Deze tantes met uitgesproken meningen. Niet altijd de hunne. Maar wel prikkelend en vn kom maar op. Wat lukte. Mede dank zij hun thema’s. Geregeld aan de orde geweest. Misschien daardoor toch die uitnodiging.  En Hesta die graag met Kervin wilde napraten over zijn opnamen toen. Maar die was niet mee gekomen. Was ter ondersteuning  van zijn missie thuis gebleven.    

Op de magneetbaan weer eens genoten van het op knooppunten in en uit elkaar schieten uit vele richtingen van cabines. Zich tot snoeren rijgend de verte in snellend.  Met zo nu en dan cabines uitwijkend naar een stop.  Er in met nauwelijks iets van beweging voelend. Wel te zien met het langs je heen schietend landschap. Nu in die tram met hellingen met krom gewaaide zwart geregende eiken, witte stuifzanden onder een helblauwe hemel met stapelwolken waaruit geregeld de ramen striemende  regen viel. Het werd boorjaar.  Soms even windvlaag die de tram liet rammelen.  Bebouwing geregeld te raden in  beschuttend groen.

 Een regio met alleen in het Haagse iets van een stad. Niets hoger dan de bomen  op de vele pleinen en brede lanen.  Waar het zomers goed toeven moest zijn met z’n vele terrassen en soms overdekte straten.  

De tram die weer een bos in dook en meldde die dat hij eruit moest.  Uitgestapt verwelkomde hem een hagelbui. Met hem waren nog drie vrouwen uitgestapt. Die hij voelde denken, een man en voor wie?  Een vrouw die op hem af kwam en ze deed terugdeinzen. Hem kordaat een zuidwester rond de schouders gespte.‘Welkom Burton. Estrice en Hesta hebben me gevraagd je op te halen. Ik ben Ishma.’ Voor hem  glom het natte gelaat van een slanke maar ook stevige vrouw. Haar staal­blauwe ogen priemend in de zijne. Die laat zich niets wijs maken, begreep hij meteen.  Hij herkende haar nu ook van de foto hem gestuurd: Opdat hij niet met de verkeerde mee ging. In deze afgelegen streken het zich even over zwervers ontferm­den en pas na gebruik vertellen dat ze ver­keerd zaten. De drie snel af­druipende vrouwen maakten duidelijk dat dergelijke voorzorgen niet voor niets waren.

Ishma was er al een enige tid. Haar cape parelde van de regen. Ze had meteen haar twee bul­katten uitgela­ten,. Die nu ook zijn aandacht opeisend. Gevaarlijke maar ook mooie dieren. Was niet zijn eerste ontmoeting ermee.  Lang geleden ge­netisch gecomponeerd uit bulterriërs en katachtigen. Met van de hond de brede kaken, en van de kat­ten de soepele donzige fijn aaibare lijven. En van beide de absolute trouw aan hun baas  Vrouwen die ze grag hielden. Ook als beschermers. Je nooit wist of zo'n beest met ze mee sloop. De dieren  zaten gehurkt naast haar.  In hun ogen het wachten op een foute reactie. Hij voelde ze denken. In zijn ogen hem als dierenliefhebber noterend. Ze op hem af kwamen. Hun koppen snuivend in zijn kruis drukkend. , Eisend dat hij ze zou strelen. Met zijn vingers in hun vacht hoorde hij ze zacht spinnen. ‘Tijdens je verblijf hier zullen ze ook over jou waken. Ze weten nu dat je van ons bent. En zo te zien niet bang voor ze’. ‘Verwilderde exemplaren kunnen erg gevaarlijk zijn. En mogen ze eigenlijk nog wel’?  Huj zag haar ogen verschuiven naar verrassing. Hij begreep dat ze in de fase van hem aftasten was. Van Estrice begrepen dat zij de leiding had van hun roedel. En niet ie­mand was om mee te spotten. Kreeg zij argwaan dan kon hij zijn mis­sie wel vergeten. Meteen weer bewust waarvoor hij hier was en alert.

In inmiddels weer seven tromende re­gen gingen ze op weg naar wat hem de komende dagen te wachten stond. Tot een wildrooster waar ze stopte. Konden de katten niet overeen. ‘De nederzettingen hier zijn omring door heggen, ter bescherming tegen de grote dieren hier’.  ‘Op jacht’ roepend stoven de twee bulkatten met weg. ‘Ook zij leven graag van de natuur. Eenmaal verzadigd komen ze weer terug. De camera boven die deur daar laat ze er dan weer in’.

Ze liepen nu een een openlucht museum in. Een compositie van perken, struiken, moestuinen, geschoren heggen, bomen. Waartussen kippen en ganzen scharrelden. Met overal beelden. ‘Het hier al vele eeuwen kunstzinnig bezig zijn’, lichtte ze toe. ‘Nu nog maar weinig bloemen, maar over een maand een feest van kleuren’.

Een lindelaan gaf zicht op een landhuis  De muren van deels metselpuin. Van eens die vloedgolf. Was hier overvloedig op te delven. Die ruines toen gezien in het oosten ook al bron van bouwmaterialen. Bijgewerkt uitstekend bruikbaar gebleken.

Hier gecombineerd met eveneens gevonden  natuurstenen ornamenten. Boeiend daamee ontworpen gevels.  Met ramen deels glas in lood . Drie verdiepingen hoog.  Op het dak een deels overdekt terras. Waar een loopbrug begon hangend   aan over kolommen gespannen kabels. Naar het centrum van de nederzetting vertelde ze . ‘Elke dag er over  heen en terug goed voor je conditie. Kinderen zijn er dol op, vooral dat stuk dat je moet klimmen’. Op het terras in de avond te genieten van de ondergaande zon en later de sterrenhemel. Ze hadden het hier uitstekend voor elkaar. In het Haagse had hij ook dergelijke aan kabels hangende loopbruggen gezien. Hoog boven  over alles heen en met balkons.  Het product van de economie van vrijetijdsbesteding. Voor zowel sportief en  samen bezig zijn. eEen en drinken in een hemelse sfeer. Kinderen die hij er daarin  ook had zien rondhollen. Duidelijk een openbare voorziening.

De entree van hun hofstede was waaier van glas gevat in een bronzen frame. Als een overgrote diamant gevat in  de voorgevel. Van het dak reikten groen kopren goten naar geulen voor de afvoer van nu neergutsend water naar de vijvers in de tuin. Kleurverschillen groen verrieden restauraties. Een en ander stond e dus al vele eeu­wen. De baksteenbrokken van de gevel die daar  niets van lieten blijken.  

Eenmaal binnen ontdeed Ishma hemvan zijn cape, trok zijn doorweekte schoenen uit, kamde met haar vingers zijn haar, trok zijn kleding in orde,  nam zijn hand en leidde hem haar domein in. Een ruime hal met vrouwen en kinderen. Duidelijk nieuwsgierig naar hem. Hij  zich gevange wist. Niet door die vrouwen. Maar de creativiteit die hij beleefd had. Daarin kunnen leven. De horst was niet lelijk, fraai elfs. Maar daarmee was dan ook alles gezegd. Waar Verna woonde was vooral voornaam. Maar dit, met alles product van inventief bezig zijn. In gevangen dor Ishma, die hem had in- en uitgepakt en opgepoetst.