mm 7 18.2 - -
Bezoek aan het roedel.
Het laatste stuk met een tram, tot halte
Meijendel. Na een uur de magneetbaan naar het Haagse.
Eindelijk op weg naar waar ze op uit waren. Het geheim van Estrice en haar
home. Gelegen op het Hollandse Duin. Een
fraai begroeid hwuvelschap met hier en daar nederzettingen. Voor mensen
die daar wilden leven. Hadden ze uitvoerig over verteld,. Een zijn met de natuur,
daarvan leven. Verzamelen van wat eetbaar
was. Jagen om verantwoord vlees te eten. In het Hollandse Haf vissen. Konijnen en hazen met valken grijpen.
Waardoor elk gesprek met ze ook boeiend was geweest. Praters in hun zuiden
in overvloed om eindeloos mee te kletsen ver vooral nergens. Deze tantes met
uitgesproken meningen. Niet altijd de hunne. Maar wel prikkelend en kom maar op. Wat
lukte. Mede dank zij hun them’s. Die geregeld aan de
orde waren geweest. Misschien daardoor toch die uitnodiging. En Hesta wilde
graag met Kervin napraten over zijn opnamen toen
van die hoogovens. Maar die was niet mee gekomen. Ter ondersteuning thuis.
Op de magneetbaan weer eens genoten van het op knooppunten in en uit elkaar
schieten uit vele richtingen van cabines. Zich tot snoeren rijgend en de verte
in snellend. Met zo nu en dan cabines uitwijkend
naar een stop. Met nauwelijks iets van
beweging voelend. Wel te zien met het langs je heen schietend landschap. Nu in
die tram van hellingen met krom gewaaide zwart geregende eiken, witte
stuifhelling onder een helblauwe hemel met stapelwolken waaruit geregeld de
ramen striemende regen viel. Het werd
boorjaar. Soms even windvlaag die de
tram liet schudden. Bebouwing geregeld te
raden in beschuttend groen.
Met alleen in het Haagse iets van
een stad. Niets hoger dan de bomen op devele pleinen en brede lanen. Waar het zomers goed toeven moest zijn met z’n
vele terrassen en soms overdekte straten.
De tram die weer een bos in dook en meldde die dat hij eruit moest. Uitgestapt verwelkomde hem een hagelbui. Met
hem waren nog drie vrouwen uitgestapt. Die hij voelde denken, een man en voor wie?
Een vrouw die op hem af kwam en ze deed
terugdeinzen. Hem kordaat een zuidwester rond de schouders gespte.‘Welkom Burton
bent. Estrice en Hesta
hebben me gevraagd je op te halen. Ik ben Ishma.’
Recht voor hem glom het
natte gelaat van een slanke maar ook stevige vrouw. Haar staalblauwe
ogen priemend in de zijne. Die laat zich niets wijs maken, wist hij meteen. Hij herkende haar nu ook van de foto hem gestuurd:
Opdat hij niet met de verkeerde mee ging. In deze afgelegen streken het zich
even over zwervers ontfermden en pas na gebruik vertellen dat ze verkeerd
zaten. De drie snel afdruipende vrouwen maakten duidelijk dat dergelijke voorzorgen
niet voor niets waren.
Ishma was er al enige tid.
Haar cape parelde van water. Ze had meteen haar twee bulkatten
uitgelaten,. Die eisten nu ook zijn aandacht op. Gevaarlijke maar ook mooie dieren.
Was niet zijn eerste ontmoeting ermee. Lang
geleden genetisch gecomponeerd uit bulterriërs en katachtigen.
Met van de hond de massieve kaken, en van de katten de soepele donzige fijn
aaibare lijven. En van beide de absolute trouw aan hun baas Vrouwen die ze grag
hielden. Ook als beschermers. Je nooit wist of zo'n beest met ze mee sloop.
De dieren zaten gehurkt naast haar. In hun ogen het wachten een foute reactie. Hij
voelde ze denken. Ze hem als dierenliefhebber noterend. Ze kwamen op hem af. Hun
koppen snuivend in zijn kruis drukkend. , Eisend dat hij ze zou strelen. Met zijn
vingers in hun vacht hoorde hij ze zacht spinnen. ‘Tijdens je verblijf hier
zullen ze ook over jou waken. Ze weten nu dat je van ons bent. ‘En zo te zien niet
bang voor ze’. ‘Verwilderde exemplaren kunnen erg gevaarlijk zijn. En mogen ze
eigenlijk wel’? Huj
zag haar ogen verschuiven naar verrassing. Hij begreep dat ze in de fase van hem
aftasten was. Van Estrice begrepen dat zij de leiding
had van hun roedel. En niet iemand was om mee te spotten. Kreeg zij argwaan
dan kon hij zijn missie wel vergeten. Meteen weer bewust waarvoor hij hier
was en alert.
In inmiddels weer stromende regen gingen ze op weg naar wat hem
de komende dagen te wachten stond. Tot een wildrooster waar ze stopte. Konden
de katten niet overeen. ‘De nederzettingen hier zijn omring door heggen, ter bescherming
tegen grote dieren’. ‘Op jacht’ roepend
stoven de twee bulkatten met weg. ‘Ze hebben honger
en ook zij leven graag van de natuur. Eenmaal verzadigd komen ze weer terug. De
camera boven die deur daar laat ze er dan weer in’.
Ze liepen nu een een openlucht museum in. Een compositie
van perken, struiken, bomen. Met overal beelden. ‘Het vele eeuwen kunstzinnig bezigzijn’, lichtte ze toe. ‘Nu nog zonder bloemen, maar
over een maand een geweldig feest van kleuren’. Een lindelaan gaf zicht op een
landhuis Met muren van deels metselpuin.
Van na die vloedgolf. Was hier overvloedig op te graven. Bijgewerkt uitstekend
bruikbaar gebleken. Gecombineerd met eveneens te vinden natuursteen. Voor boeiend daamee
ontworpen bouwsels. Murener
mee gecomponeerd met gebeeldhouwde accenten en ramen deels met glas in lood . Drie
verdiepingen hoog gevat in een betonnen frame. Op het dak een deels overdekt terras.
Waar een loopbrug begon die hing aan
over kolommen gespannen kabels hing. Naar het centrum van de nederzetting
vertelde ze . ‘Elke dag even heen en terug goed voor je conditie. Kinderen zijn
er dol op’. Het terras om in de avond te genieten van de ondergaande zon en
soms de sterrenhemel. Ze hadden het hier uitstekend voor elkaar. In het Haagse
had hij ook dergelijke aan kabels hangende loopbruggen gezien. Hoog boven over alles heen en met zitjes. Het product van de economie van
vrijetijdsbesteding. M et zowel sporten als leuk samen eten en drinken in een hemelse
sfeer. Kinderen die hij er in had zien hollen. Kennelijk een openbare
voorziening.
De lindelaan die uit kwam op de entree van hun hofstede. Een waaier van
glas gevat in een metalen frame. Als een overgrote diamant gevat in de voorgevel. Van het dak reikten groen kopren goten naar geulen voor de afvoer van nu neergutsend
water. Kleurverschillen groen verrieden restauraties. Een en ander stond e dus al
vele eeuwen. De baksteenbrokken van de gevel die daar niets van lieten merken.
Eenmaal binnen ontdeed Ishma hemvan
zijn cape, trok zijn doorweekte schoenen uit, kamde met haar vingers zijn haar,
trok zijn kleding in orde, nam zijn hand
en leidde hem haar domein in. Een ruime hal met vrouwen en kinderen. Duidelijk nieuwsgierig
naar hem.
En hij zich gevange
wist. Niet door die vrouwen. Maar de creativiteit die hij beleefd had. Daarin
willen leven. De horst was niet lelijk. Maar daarmee was dan ook alles gezegd.
Waar Verna woonde was vooral voornaam. Maar dit, met
alles inventief bezig zijn. In de geest van Kervin.
En dan Ishmam die hem in- en uitpskte.